8 juni 2026
Cheryll Mühlen — voormalig hoofdredacteur van J’N’C en TM TextilMitteilungen en nu contributing editor voor COSH! — ging in gesprek met oprichter Niki de Schryver over het Leuvense Smart City-project en waarom steden betere data over textielretail nodig hebben.
De circulaire transitie in de mode wordt vaak besproken in termen van wetgeving, innovatie en consumentengedrag. Toch is er nog een vraag die minstens even belangrijk zou kunnen zijn: wie bezit de data die de beslissingen van morgen zal vormgeven?
Het Belgische platform COSH! werkt aan een andere manier om naar retail te kijken. Oorspronkelijk gelanceerd om consumenten te helpen modemerken te ontdekken op basis van een reeks duurzaamheidscriteria, is het platform uitgegroeid tot een Smart City-project dat lokale retailecosystemen in kaart brengt, van hersteldiensten en onafhankelijke ontwerpers tot tweedehands doorverkoop. Onderweg begon oprichter Niki de Schryver zich af te vragen hoe retaildata momenteel verzameld worden en belandde ze onverwacht in een wereld die grotendeels wordt gevormd door commerciële vastgoedintelligentie.
We bespraken het pilootproject in Leuven, waarom betere data een van de meest waardevolle grondstoffen van de mode zou kunnen worden en waarom inzicht in wat afval voorkomt uiteindelijk belangrijker kan zijn dan het meten van de hoeveelheid afval zelf.
COSH! begon oorspronkelijk als een platform om consumenten te helpen bewustere modekeuzes te maken. Hoe is dat uitgegroeid tot een Smart City-project?
Toen ik COSH! lanceerde, was het idee om de Pokémon Go van duurzaam shoppen te ontwikkelen. Ik moet nog altijd lachen als ik dat vertel, want dat was echt de visie.
Je zou door een stad wandelen, je telefoon vastnemen en meteen zien welke merken of winkels aan bepaalde duurzaamheidscriteria voldeden, waardoor bewustere keuzes veel makkelijker zichtbaar zouden worden. Steden maakten eigenlijk vanaf dag één deel uit van het idee.
Ik heb altijd geloofd dat als je mode wil veranderen, je elke stakeholder moet verbinden. Merken, toeleveringsketens, retailers, consumenten, lokale overheden en uiteindelijk, Europese beleidsmakers. We zijn met COSH! begonnen vóór de Europese Green Deal voor textiel en de wetgeving waar we het vandaag over hebben zelfs nog maar bestond.
Zodra je al die informatie begint te verbinden, besef je dat steden veel meer kunnen worden dan plekken waar mensen winkelen. Ze worden ecosystemen. Als je begrijpt wat er lokaal gebeurt, kan je retailers ondersteunen, consumenten helpen bij hun keuzes en beleidsmakers een veel duidelijker beeld geven van wat er echt op het terrein speelt.
Dat bredere ecosysteem was dus altijd het plan.
Ja. De uitdaging was gewoon dat je als ondernemer niet alles tegelijk kan bouwen. Ik zeg altijd dat we onze productroadmap in duizenden kleine stukjes moesten hakken. Als ik terugkijk, zou ik zeggen dat we nu ongeveer halverwege die roadmap zitten.
Ik kan me voorstellen dat niet iedereen meteen in die visie geloofde.
Nee, helemaal niet. Toen ik het concept voor het eerst voorstelde aan accelerators, schreef een van hen letterlijk op een intern document: “Niet financieren. Gek. Dit gaat nooit gebeuren.” Het was niet de bedoeling dat ik dat te zien kreeg, maar op een of andere manier is het toch bij mij geraakt.
De startit accelerator pakte het veel praktischer aan. Zij hielpen ons om een minimum viable product te identificeren. In dat stadium ging dat niet over het hele ecosysteem. Het was gewoon een website waar retailers een profiel konden aanmaken en zo hun zichtbaarheid konden vergroten.
De grotere visie is nooit verdwenen. Die moesten we simpelweg stap voor stap opbouwen.
Zulke commentaren lezen moet lastig geweest zijn. Hoe ga je om met tegenslagen?
Mijn psycholoog stelde me onlangs exact dezelfde vraag. (Lacht.) Het eerlijke antwoord is dat ik het niet echt verwerk. Het doet ontzettend veel pijn. Soms ben ik een tijdje kwaad. Maar hoe dan ook, ik ga verder. Ondernemen is geen gemakkelijk pad, dat is zeker. Je moet voortdurend opnieuw motivatie vinden. Ik vergelijk het altijd met water: je probeert de stroom te sturen, maar uiteindelijk bots je op rotsen, dan zoek je een andere weg die eromheen gaat. Uiteindelijk blijft het water altijd stromen. Veerkracht en probleemoplossend vermogen zijn twee cruciale vaardigheden.
Ondernemen is geen gemakkelijk pad, dat is zeker. Je moet voortdurend opnieuw opstaan en je motivatie zoeken. Ik vergelijk het altijd met water. Je probeert de stroom te sturen, maar uiteindelijk bots je op rotsen. Dan zoek je er gewoon een andere weg omheen. Uiteindelijk blijft het water altijd stromen. Veerkracht en probleemoplossend vermogen zijn twee cruciale vaardigheden. Niki de Schryver - Founder & CEO van COSH!
Dat lijkt zeker zo. Nu werk je rechtstreeks samen met steden. Waarom zijn lokale overheden belangrijk in dit verhaal?
Omdat ze veel dichter bij de eigenlijke transitie staan dan mensen vaak beseffen. In Nederland bijvoorbeeld hebben steden al textielstrategieën. Dat maakt het makkelijker om gesprekken te starten, omdat het onderwerp politiek al bestaat, ook al blijft de juiste persoon vinden een uitdaging. Mensen houden connecties en netwerken vaak af om zelf de controle te behouden. Het is een systemisch probleem van zakendoen vanuit een schaarstemindset.
België is heel anders. Lokale overheden hebben doorgaans geen grote budgetten voor retailprojecten. Als er financiering is, is die meestal relatief klein en vaak gekoppeld aan marketinginitiatieven in plaats van aan structurele verandering op lange termijn. Zelfstandige retailers hebben echter iets anders nodig: langetermijnstrategieën en tijd om te veranderen. Een eenmalig project van een half jaar in de mode volstaat niet om betekenisvolle verandering te realiseren. Je hebt consistentie nodig in de plannen. Als je als stad een duidelijke stip op de horizon hebt, beweegt de groep retailers mee met de visie.
Veel onafhankelijke winkeliers hebben geen extra shoppingweekend nodig. Ze hebben zichtbaarheid nodig. Ze hebben ondersteuning nodig. Ze moeten zich voorbereiden op een toekomst die steeds meer wordt gevormd door nieuwe Europese wetgeving.
Daar zagen we een kans. In plaats van nog een marketingcampagne op te zetten, wilden we steden helpen hun eigen retailecosysteem te begrijpen via data.
Jullie eerste Smart City-kick-off was met Leuven, toch?
Ja. Het Smart City-pilootproject in Leuven werd het datagedreven vertrekpunt voor ons stadsdashboard. De provincie Vlaams-Brabant lanceert elk jaar Smart City-oproepen. Vijf projecten krijgen financiering, maar elk project moet ook vijftig procent cofinanciering voorzien. In de praktijk worden veel van die projecten dus deels gefinancierd met onze eigen tijd. Nadat we het dashboard voor Leuven ontwikkeld hadden, gebeurde er echter iets belangrijks. De infrastructuur staat er nu. Als een andere stad met ons wil samenwerken, moeten we niet meer van nul beginnen. Het dashboard bestaat al. De methodologie bestaat al. Wat we nu blijven uitbreiden, is de data. Dat betekent ook dat steden zelf geen volledig nieuw systeem hoeven te bouwen. Wij nemen dat zware werk op ons.
Soms is er een lokale retailmanager die de retailers al persoonlijk kent en die connectie is ontzettend waardevol. Maar als het gaat om het verzamelen, structureren en analyseren van de informatie, doen wij dat.
Data kan behoorlijk abstract aanvoelen. Wat voor informatie verzamelen jullie eigenlijk?
We onderzoeken de toeleveringsketens van modemerken en beoordelen ze aan de hand van onze eigen methodologie. Voor het Leuvense project screenden we een dertigtal extra merken, maar we hadden vooraf al een database van zo’n duizend beoordeelde merken. Die informatie stelt ons in staat om een veel breder beeld op te bouwen. We bekijken momenteel hoe we dat proces kunnen versnellen door informatie uit Digitale Productpaspoorten te koppelen en delen van de beoordeling te automatiseren. Het is waarschijnlijk nog wat vroeg om in detail te treden, maar dat is duidelijk de richting waar we in gaan.
Het interessante is dat dit soort informatie niet alleen waardevol wordt voor consumenten. Ze wordt ook waardevol voor steden.
Op een bepaald punt leidde je werk tot een heel andere vraag: hoe steden eigenlijk retaildata verzamelen. Dat lijkt je perspectief behoorlijk veranderd te hebben.
Dat klopt. Wat ons opviel, is dat steden of provincies vaak zeer beperkte budgetten hebben om retail te ondersteunen, maar wél vrij fors investeren in het verzamelen van retaildata. Zo kwamen we bij Locatus terecht, een Nederlandse organisatie die al jarenlang retaillandschappen in kaart brengt. Hun teams wandelen letterlijk door steden en documenteren winkelruimtes. Ze noteren of een zaak een modewinkel, een restaurant of een reparatieatelier is, ze meten de winkelvloeroppervlakte en monitoren leegstand. Die informatie wordt vervolgens gebruikt in officiële overheidsstatistieken.
Aanvankelijk wilden we die data combineren met ons eigen onderzoek. Maar heel snel botsten we op een aantal problemen.
Zoals?
Een deel van de informatie was onnauwkeurig. Belangrijker nog: het was niet gedetailleerd genoeg voor de circulaire textieltransitie waar Europa nu naartoe werkt.
Een reparatieatelier werd bijvoorbeeld gewoon geclassificeerd als een reparatieatelier. Er was geen onderscheid tussen een bedrijf dat telefoons, elektronica, schoenen of kleding herstelt. Als je probeert te begrijpen hoe een circulair textielecosysteem functioneert, worden die verschillen plotseling ontzettend belangrijk.
Waarom is dat detailniveau zo belangrijk?
Omdat je, zodra je naar circulariteit begint te kijken, veel meer moet begrijpen dan de vraag of een winkel bestaat. Je moet weten waar kleding gerepareerd kan worden. Waar mensen ze kunnen doorverkopen. Waar lokale makers aan de slag zijn. Waar onafhankelijke ontwerpers gevestigd zijn. Zonder die informatie is het heel moeilijk om te begrijpen hoe het retailecosysteem van een stad zich werkelijk ontwikkelt. We beseften dat die lagen gewoon niet zichtbaar waren. Het systeem was afgestemd op iets anders.
Het lijkt erop dat hoe verder je keek, hoe meer onverwachte bevindingen bovenkwamen.
O ja. Normaal gesproken, als een stad al betaalt voor retaildata, moet je nog eens betalen als je toegang tot die data wil. Dus we namen contact op en vroegen wat hun plannen waren voor de circulaire economie. We wilden begrijpen hoe hersteldiensten en soortgelijke activiteiten uiteindelijk deel zouden gaan uitmaken van toekomstige datasets.
Tijdens die gesprekken leerden we dat het bedrijf was overgenomen door Green Street in de Verenigde Staten. Volgens de informatie die we kregen, is Green Street gespecialiseerd in commerciële vastgoedintelligentie en adviseert het internationale investeerders over retailvastgoedmarkten, wat de huurprijzen opdrijft. Toen ik daarachter kwam, besefte ik dat onze prioriteiten volledig anders lagen. Wij proberen te begrijpen hoe lokale circulaire ecosystemen functioneren. Hun business dient een heel ander doel.
Het was schokkend om te ontdekken dat lokale overheden langlopende (automatisch verlengende, zesjarige) datacontracten hebben met een Amerikaans bedrijf waarvan de missie is om retailhuurprijzen op te drijven door panden aan te bieden aan internationale kopers en globale winkelketens. Niki de Schryver - Vlaams Brabant
Een Amerikaans bedrijf dat de toegang tot retaildata in België bepaalt, moet een heftig moment geweest zijn.
Dat was het. Wat me het meest verontrustte, was niet zozeer het eigenaarschap. Het was het besef dat de informatie die toekomstige investeringsbeslissingen stuurt niet zozeer de informatie is die je nodig hebt voor een circulaire textieleconomie. Als we meer lokale productie, meer hersteldiensten en langere productlevens willen, hebben we ook data nodig die die activiteiten weerspiegelt. Anders blijven ze onzichtbaar.
Wat gebeurde er daarna?
We stapten naar het Vlaamse Innovatieagentschap en vroegen welke mogelijkheden er waren voor bedrijven die met dit soort data werken. Het antwoord verraste ons nog meer. Ze zeiden in essentie: “Blijf weg uit deze markt. Het is een oligopolie.”
Dat zegt veel. Hoe voelde dat?
Het was absoluut frustrerend. Soms voelt het als vechten tegen een reus die je gewoon niet kan verslaan. Maar tegelijk versterkte het waarom dit werk belangrijk is. Data is niet neutraal.
De vragen die je stelt in het onderzoek bepalen de antwoorden die je krijgt. Als je alleen leegstand en winkelvloeroppervlakte meet, is dat de realiteit waarvoor je gaat optimaliseren. Maar als je ook reparatieateliers, lokale ontwerpers, tweedehands, kledingverzorging en andere circulaire activiteiten begint te meten, dan zie je plots een compleet ander beeld van de economie van een stad. We bouwen sinds 2018 aan die data voor België, Nederland en Duitsland en zien daardoor duidelijke evoluties.
Heeft het Leuvense pilootproject dan een aantal gangbare aannames over retail op de proef gesteld?
Zeker. Een van de grootste verrassingen was dat de retailafname zich niet beperkte tot zaken die zich rond duurzaamheid positioneren. In het Leuvense pilootproject leek de trend vergelijkbaar over retail in het algemeen. We stelden ook vast dat sommige publieke narratieven rond hersteldiensten niet noodzakelijk overeenkwamen met wat we lokaal observeerden.
Mensen gaan er vaak vanuit dat reparatie volledig aan het verdwijnen is. Wat we eigenlijk zagen, was beweging. De ene zaak sluit. Een andere opent ergens anders. Het ecosysteem verandert, maar het verdwijnt niet per se.
We hebben het vaak over uitbuiting aan de productiekant van de mode-industrie. Maar er is nog een andere kant waar niet genoeg over gesproken wordt.
Perceptie en realiteit komen dus niet altijd overeen.
Precies. Sociale media vergroten die kloof uit. Wanneer een retailer sluit, is het volledig begrijpelijk dat die zijn verhaal online deelt. Mensen reageren met empathie. Vrienden reageren. Klanten betuigen hun steun. Maar die posts presteren ook heel goed in de algoritmes. Het gevolg is dat negatieve verhalen veel verder reizen dan positieve. Ondertussen krijgen zaken die stil verderdoen, zich aanpassen of succesvol zijn zelden dezelfde aandacht. Ik denk dat dat een vertekend beeld van retail creëert.
Er is bijna sprake van een psychologische kettingreactie.
Inderdaad. De ene ondernemer ziet een andere opgeven en begint zich af te vragen of hij ook moet stoppen. Die kettingreactie mogen we niet onderschatten. We zijn heel goed geworden in praten over falen. We praten veel minder snel over de zaken die stilletjes verder werken, zich aanpassen of slagen. Die verhalen verdienen ook aandacht.
Los van het pilootproject zelf: wat baart je het meeste zorgen als je vandaag de dag naar de onafhankelijke moderetail kijkt?
Iets wat we door de jaren heen consistent hebben vastgesteld, is hoe moeilijk het geworden is voor kleine retailers om te overleven. Elk jaar sluiten er winkels. Dat is niets nieuws. Retail is altijd geëvolueerd. De ene zaak sluit omdat iemand met pensioen gaat, een andere opent ergens anders. Dat is op zich niet ongewoon. Wat me meer zorgen baart, is hoeveel kleine duurzamere zaken de eerste drie of vier jaar nooit lijken te overleven.
Heel vaak investeren mensen hun eigen spaargeld in de hoop iets betekenisvols op te bouwen. Na een paar jaar zonder voldoende inkomen kunnen ze dan gewoon niet verder.
We praten vaak over uitbuiting aan de productiekant van de mode-industrie. Maar er is nog een andere kant waar we lang niet genoeg over spreken. Veel onafhankelijke retailers dragen zelf enorme financiële risico’s en steken privégeld in zaken die misschien nooit winstgevend worden.
Het middenveld is ontzettend moeilijk geworden. Ofwel blijven zaken heel klein en bouwen ze een trouwe community op die hen laat overleven, ofwel groeien ze veel en veel groter dankzij externe investeringen of familiekapitaal. Alles daartussen lijkt steeds uitdagender.
Vandaag ligt de focus vaak op wat er gebeurt zodra kleding afval geworden is. Voor mij is dat veel te laat.
Maakt digitalisering dat gemakkelijker?
Dat kan het wel doen. Wat we nog altijd zien, vooral bij oudere retailers, is een aanzienlijke digitale kloof. Sommige zaken hebben nog altijd geen werkende webshop, of ze gebruiken heel kleine lokale platformen die weinig bezoekers genereren. We hebben consistent vastgesteld dat retailers die gevestigde e‑commerceplatformen gebruiken vaak beter presteren. Dat heeft deels te maken met vertrouwen. Consumenten zijn vertrouwd geraakt met bepaalde checkout-ervaringen. Ze herkennen ze, ze weten wat ze mogen verwachten en voelen zich comfortabel om een aankoop af te ronden. Veel zaken investeren fors in een compleet unieke, artistieke online ervaring. Ironisch genoeg is vertrouwen voor het moment dat iemand bij de checkout komt vaak belangrijker dan originaliteit.
Jullie werk breidt al uit voorbij Leuven. Hoe zou succes eruitzien als we dit gesprek over vijf jaar opnieuw zouden voeren?
Ik zou graag zien dat steden hun textielecosysteem bijna automatisch meten. De basis ligt er al. De dashboards zijn gebouwd. Nu gaat het om het uitbreiden van de data. Uiteindelijk zou ik dat willen koppelen aan Digitale Productpaspoorten, zodat delen van het proces veel meer geautomatiseerd worden. Tegelijkertijd voert Europa systemen van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (EPR) in. Die organisaties zullen bijdragen innen van bedrijven die textiel op de markt brengen en zullen betrouwbare informatie nodig hebben om te begrijpen wat er werkelijk met textiel gebeurt gedurende de gehele levenscyclus. Wij hebben het kader al live staan en volgen alle data op tijdens de looptijd van de dienstverlening voor die EPR-systemen.
Vandaag ligt de focus vaak op wat er gebeurt wanneer kleding al afval geworden is. Voor mij is dat veel te laat. Lang voordat een kledingstuk in een inzamelcontainer belandt, kunnen mensen beslissen om het langer te dragen, te herstellen, te restylen of door te geven. Die vroegere fases zijn waar de grootste kansen liggen. Dat is ook waar een deel van de meest waardevolle data nog verzameld moet worden.
We praten voortdurend over data. Zijn er al cijfers die dat potentieel illustreren?
Volgens onze eigen berekeningen zou het verlengen van de gemiddelde levensduur van kleding met slechts drie maanden al een meetbare impact kunnen hebben op de textielgerelateerde uitstoot van een stad.
Tegelijkertijd versterkt het ook lokale retailecosystemen als consumenten zelfs maar een deel van hun bestedingen verschuiven van ultra-fast fashion naar reparaties, lokale ontwerpers of producten van hogere kwaliteit. Daar ligt voor mij de echte kans. Niet bij gewoon begrijpen wat er gebeurt zodra textiel afval wordt. Maar de data genereren die helpen om afval in de eerste plaats te voorkomen.
8 juni 2026
26 mei 2026
20 mei 2026